14 januari 2018
Hisse de Vries
Door
Hisse de Vries

Wob, in relatie tot artikel 6:19 Awb.

Eindelijk is er duidelijkheid gekomen op de vraag die ik in augustus vorig jaar al heb opgeworpen.

In mijn blog van 1 augustus 2017 ‘Verhouding Wob-verzoeken en gebruik voor eigen procedure rechtgetrokken?’ heb ik geconstateerd dat er nog steeds geen uitspraak is van de Afdeling bestuursrecht waarbij een verzoek om informatie op grond van de Wob, maar feitelijk vallend onder artikel 7:18 Awb, ongegrond wordt verklaard.

In de uitspraak van 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:44 wordt die duidelijkheid wel gegeven.

Het was de zoveelste zaak over een verkeersboete, waarbij een Wob-verzoek werd ingediend om informatie te verkrijgen ten behoeve van het beroep tegen een verkeersboete.

In diverse uitspraken met betrekking tot Wob-verzoeken constateerde de Afdeling al dat 6:19 Awb het bevoegd gezag verplichtte om alle relevante informatie voor de procedure ter beschikking aan partijen te stellen. De Afdeling constateerde in al die uitspraken eveneens dat het verzoeker – een derde die dit tot zijn beroep maakte – was te doen om aanspraak te maken op dwangsommen wegens overschrijding van de termijnen bij de afhandeling van dergelijke verzoeken. Op die grond was er dan sprake van misbruik van recht.

In de uitspraak van 10 januari jl. komt er duidelijkheid.

De Afdeling overweegt dat de bevoegdheid van artikel 3 van de Wob tot het indienen van een verzoek om informatie over stukken die betrekking hebben op een opgelegde verkeersboete niet bedoeld is om binnen het kader van een tegen de boete ingestelde procedure informatie betreffende de boete te verkrijgen. Een dergelijk verzoek strekt niet ter bevordering van een goede en democratische bestuursvoering.

In deze uitspraak komt de Afdeling tot het oordeel dat in beginsel ook misbruik van de Wob wordt gemaakt indien om informatie wordt verzocht en het doel van het verzoek redelijkerwijs slechts gelegen kan zijn in het aanvechten van de verkeersboete. Dit geldt te meer, aldus de Afdeling, indien een dergelijk verzoek is gedaan door een rechtzoekende of een gemachtigde die blijk heeft gegeven veelvuldig procedures tegen het opleggen van een verkeersboete te hebben gevoerd en derhalve geacht moet worden ter zake over de nodige kennis en ervaring te beschikken zodat een dergelijk verzoek niet anders dan tegen beter weten in is gedaan. Appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd die het aanwenden van de Wob desondanks rechtvaardigen.

Appellant heeft misbruik gemaakt van de bevoegdheid om beroep in te stellen, nu dat rechtsmiddel niet los kan worden gezien van het gebruik van de Wob.

Derhalve is het beroep door de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Ik vraag mij nu nog af of dit alleen moet gelden voor die rechtzoekende of gemachtigde die geacht moet worden over de nodige kennis van het voeren van procedures beschikt. Artikel 6:19 Awb heeft een ander karakter dan het doel van de Wob. En de Wob is niet geschreven voor het voeren van procedures.

NB

Er is in de afgelopen jaren veel jurisprudentie ontstaan over de interpretatie van de Wob.

Wanneer is sprake van de persoonlijke levenssfeer, wat is de verhouding tot andere wetten, wanneer kan een beroep worden gedaan op het vangnet artikel voor wat betreft de uitsluitingsgronden in artikel 10, sub g?  Wanneer behoren documenten tot intern beraad? Deze en nog vele meer uitspraken komen uitgebreid aan de orde in mijn incompany cursussen actualisatie jurisprudentie Wob. Belangstelling voor een bijspijkercursus Wob? neem vrijblijvend contact met mij op.

 

RUBRIEK: Bestuursrecht
TREFWOORDEN:

Reageer