26 mei 2018
Hisse de Vries

privacy verklaring

Mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. is transparant over uw persoonsgegevens

Als u contact hebt met mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. kunt u hier lezen wat mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V met uw gegevens doet en uw rechten.

  1. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V, de eenmans-B.V. van Hisse de Vrie, verwerkt persoonsgegevens, waaronder mogelijk de uwe. De verwerking is in overeenstemming met de Algemene Verordening Gegevensbescherming (AVG). mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V is gespecialiseerd in privacy en doet er alles aan om datalekken en andere onzorgvuldige behandeling van uw kostbare gegevens te voorkomen. mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V verwerkt zo weinig mogelijk gegevens op een zo zorgvuldig mogelijke manier.

Welke gegevens verwerkt mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V?

  1. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. verwerkt doorgaans alleen de gegevens die u zelf hebt aangeleverd, zoals uw naam en (mail)adres. Pas als dat nodig is voor de dienstverlening, zal mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V meer gegevens aan u of aan derden (de overheid, de rechtbank) vragen of zelf aanmaken (in brieven).

Waarom gebruikt mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V uw gegevens?

Uw persoonsgegevens worden door mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. verwerkt voor het aangaan en uitvoeren van overeenkomsten met mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. Deze overeenkomsten betreffen vrijwel altijd het leveren van juridische diensten in de brede zin van het woord aan particulieren, bedrijven en instellingen. De persoonsgegevens mogen ook worden gebruikt voor (door u gevraagde) offertes, facturatie, incasso, mogelijke procedures bij klachten, en dergelijke. De gegevens ook worden gebruikt om de diensten van mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. te verbeteren.

U kunt de website van mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. anoniem bezoeken

  1. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. maakt gebruikt van een hostingbedrijf met een beveiligde server. De website van mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. bezoekt u anoniem. Er worden geen cookies verzonden vanaf de website. Er worden geen IP-adressen of andere naar u herleidbare gegevens verwerkt in de door de host gegenereerde statistiek, die mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. kan raadplegen. mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. gebruikt geen andere manieren van bijhouden van gegevens van websitebezoekers en heeft geen toestemming gegeven aan derden (Facebook, Google) om dat te doen. Er staan geen tracking pixels of andere verborgen manieren om u te volgen op de site.

Zo veel mogelijk off line

  1. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. gebruikt bewust geen online mailtoepassing of online kantoorapplicaties (Outlook, Office 365, Dropbox of vergelijkbare technologie). De laptop van mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. bevindt zich niet in een netwerk, maar is wel beveiligd verbonden met het internet. mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. gebruikt daarvoor software (antivirus, malwareprotectie, firewall) en wachtwoorden. Als zich een probleem zou voordoen, dan houdt mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. u daarvan direct op de hoogte en zal mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. dit direct melden bij de Autoriteit Persoonsgegevens.

Mailverkeer met mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V: zo veilig mogelijk

Mailverkeer van en aan mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. verloopt via de server van de host, die voldoet aan de privacyregels. Inkomende mail wordt veilig opgeslagen op de server en in de mailbox op de beveiligde laptop van mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. in een kantoor dat voldoende veilig is en waar geen bezoekers komen. De mail blijft op de laptop bewaard zo lang dat voor de dienstverlening nodig is. Alle mail bewaart mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. ook als backup op een externe harde schijf, die niet aan het internet, wifi of elektronisch apparaat is gekoppeld.

Uw data, brieven, documenten en andere persoonsgegevens: zo weinig mogelijk

Als u een overeenkomst van dienstverlening met mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. aangaat, dan is het nodig en u bent dat volgens de overeenkomst en algemene voorwaarden ook verplicht, om alle stukken die mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. nodig heeft voor de dienstverlening aan mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. te geven. mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. maakt doorgaans ook zelf stukken met uw persoonsgegevens, zoals brieven en verslagen.

Het kan voor de dienstverlening noodzakelijk zijn dat mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. bijzondere persoonsgegevens van u verwerkt, zoals medische gegevens of strafrechtelijke gegevens. mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. kan voor de dienstverlening ook moeten vragen om een afschrift van een identiteitsbewijs, Burgerservicenummer en dergelijke. Dit kan bijvoorbeeld nodig zijn om juridische procedures te kunnen voeren.

Al deze gegevens worden digitaal (ingescand) opgeslagen op de beveiligde laptop van mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. Deze blijven daar bewaard zo lang dat voor de dienstverlening nodig is. Verzenden van digitale gegevens gaat zo veel mogelijk met mail of met een beveiligde service (wetransfer), waarvan de gegevens zo kort mogelijk online staan. Uw gegevens worden nooit zonder uw uitdrukkelijke verzoek online gezet.

Verder bewaart mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. al deze noodzakelijke gegevens als backup op een externe harde schijf, die niet aan het internet, wifi of elektronisch apparaat is gekoppeld en die wordt bewaard in een beveiligde woning. Deze gegevens worden alleen met uw toestemming en/of voor zover nodig met derden gedeeld, die alle ook voldoen aan de privacyregels. U kunt dan denken aan de Belastingdienst en het administratiekantoor van mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V., maar ook aan collega-juristen waarmee mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. een verwerkersovereenkomst heeft.

  1. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. werkt ook met papieren dossiers. Vooral in procedures is dit het geval. Stukken van derden, zoals rechtbanken worden ingescand en verder ongebruikt bewaard op het kantoor en aan u op gezette tijden overhandigd. Deze stukken maken daarom geen onderdeel uit van ‘bestanden met persoonsgegevens’. Toch hanteert mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. hiervoor zo veel mogelijk dezelfde handelwijze als voor uw digitale persoonsgegevens.

Geen ongevraagde reclame

  1. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. benadert nooit ongevraagd personen voor marketing. mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. houdt voor marketingactiviteiten gericht op bedrijven/instellingen lijsten bij, met daarin bedrijfsgegevens en naam, functie en mailadres van de contactpersoon. Deze lijsten worden nooit gedeeld met derden. De gegevens zijn zelf door de betrokkene gedeeld met mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. of zijn afkomstig van LinkedIn of andere social media services, waaraan de betrokkene toestemming tot het delen heeft gegeven. mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. houdt natuurlijke personen alleen met toestemming op de hoogte van juridisch nieuws, onder meer over nieuwe publicaties van mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. kan u gegevens ook gebruiken om u te benaderen voor anoniem wetenschappelijk onderzoek.

Rechten van betrokkenen

Indien u denkt of weet dat mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. uw persoonsgegevens verwerkt, dan kunt (per e-mail via het onderstaande adres) om inzage vragen. U krijgt dan zo spoedig mogelijk een kopie van deze gegevens via de digitale weg. Als deze gegevens feitelijke onjuistheden bevatten of als u denkt dat mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. onterecht uw gegevens verwerkt, dan kunt u vragen de gegevens te wijzigen of te laten verwijderen. Daarnaast hebt u het recht om, indien u niet langer wilt worden benaderd met informatie over diensten of nieuws, uw toestemming aan mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. intrekken.

Mocht u het niet eens zijn met de reactie van mr. Hisse de Vries Bestuursrecht B.V. op uw verzoeken, dan kunt u dat melden bij de Autoriteit Persoonsgegevens of een verzoekschrift indienen bij de rechtbank in de regio waar u woont.

Contactgegevens

Mr. Hisse de Vries

info@06-24352136

0649897981

 

14 januari 2018
Hisse de Vries

Wob, in relatie tot artikel 6:19 Awb.

Eindelijk is er duidelijkheid gekomen op de vraag die ik in augustus vorig jaar al heb opgeworpen.

In mijn blog van 1 augustus 2017 ‘Verhouding Wob-verzoeken en gebruik voor eigen procedure rechtgetrokken?’ heb ik geconstateerd dat er nog steeds geen uitspraak is van de Afdeling bestuursrecht waarbij een verzoek om informatie op grond van de Wob, maar feitelijk vallend onder artikel 7:18 Awb, ongegrond wordt verklaard.

In de uitspraak van 10 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:44 wordt die duidelijkheid wel gegeven.

Het was de zoveelste zaak over een verkeersboete, waarbij een Wob-verzoek werd ingediend om informatie te verkrijgen ten behoeve van het beroep tegen een verkeersboete.

In diverse uitspraken met betrekking tot Wob-verzoeken constateerde de Afdeling al dat 6:19 Awb het bevoegd gezag verplichtte om alle relevante informatie voor de procedure ter beschikking aan partijen te stellen. De Afdeling constateerde in al die uitspraken eveneens dat het verzoeker – een derde die dit tot zijn beroep maakte – was te doen om aanspraak te maken op dwangsommen wegens overschrijding van de termijnen bij de afhandeling van dergelijke verzoeken. Op die grond was er dan sprake van misbruik van recht.

In de uitspraak van 10 januari jl. komt er duidelijkheid.

De Afdeling overweegt dat de bevoegdheid van artikel 3 van de Wob tot het indienen van een verzoek om informatie over stukken die betrekking hebben op een opgelegde verkeersboete niet bedoeld is om binnen het kader van een tegen de boete ingestelde procedure informatie betreffende de boete te verkrijgen. Een dergelijk verzoek strekt niet ter bevordering van een goede en democratische bestuursvoering.

In deze uitspraak komt de Afdeling tot het oordeel dat in beginsel ook misbruik van de Wob wordt gemaakt indien om informatie wordt verzocht en het doel van het verzoek redelijkerwijs slechts gelegen kan zijn in het aanvechten van de verkeersboete. Dit geldt te meer, aldus de Afdeling, indien een dergelijk verzoek is gedaan door een rechtzoekende of een gemachtigde die blijk heeft gegeven veelvuldig procedures tegen het opleggen van een verkeersboete te hebben gevoerd en derhalve geacht moet worden ter zake over de nodige kennis en ervaring te beschikken zodat een dergelijk verzoek niet anders dan tegen beter weten in is gedaan. Appellant heeft geen omstandigheden aangevoerd die het aanwenden van de Wob desondanks rechtvaardigen.

Appellant heeft misbruik gemaakt van de bevoegdheid om beroep in te stellen, nu dat rechtsmiddel niet los kan worden gezien van het gebruik van de Wob.

Derhalve is het beroep door de rechtbank terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Ik vraag mij nu nog af of dit alleen moet gelden voor die rechtzoekende of gemachtigde die geacht moet worden over de nodige kennis van het voeren van procedures beschikt. Artikel 6:19 Awb heeft een ander karakter dan het doel van de Wob. En de Wob is niet geschreven voor het voeren van procedures.

NB

Er is in de afgelopen jaren veel jurisprudentie ontstaan over de interpretatie van de Wob.

Wanneer is sprake van de persoonlijke levenssfeer, wat is de verhouding tot andere wetten, wanneer kan een beroep worden gedaan op het vangnet artikel voor wat betreft de uitsluitingsgronden in artikel 10, sub g?  Wanneer behoren documenten tot intern beraad? Deze en nog vele meer uitspraken komen uitgebreid aan de orde in mijn incompany cursussen actualisatie jurisprudentie Wob. Belangstelling voor een bijspijkercursus Wob? neem vrijblijvend contact met mij op.

 

 

9 augustus 2017
Hisse de Vries

Planschade en beperkende maatregelen waardedaling onroerend goed.

 

In augustus 2016 heb ik hoger beroep aangetekend tegen een uitspraak van de rechtbank Alkmaar waarbij een beroep tegen afwijzing van mijn verzoek om planschadevergoeding door burgemeester en wethouders ongegrond werd verklaard.

Een maand later, nl op 28 september 2016, heeft de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State uitspraak gedaan in een hoger beroep om planschadevergoeding in de gemeente Zutphen en daarbij heeft de Afdeling een overzicht gegeven van haar uitspraken met betrekking tot planschadevergoeding[1].

Kennis genomen hebbende van deze boeiende en overzichtelijke uitspraak ontlokte mij toch een zucht van opluchting. Hoewel vele beroepen werden aangevoerd, zat ‘mijn’ casus er niet bij en kon ik met een ‘gerust’ hart de behandeling van mijn beroep afwachten, zonder dat bij voorbaat vast zou staan dat het hoger beroep ongegrond zou worden verklaard.

Daarbij was ik er van overtuigd dat er recht was op planschadevergoeding, maar zowel burgemeester en wethouders in hun besluit op bezwaar als de rechtbank konden mij niet volgen.

Hoe is de casus.

Er is een groot omgrenst complex waarop een maximaal aantal recreatiewoningen eind jaren negentig zijn gebouwd. Voor dit complex was een afzonderlijk bestemmingsplan vastgesteld.

Voor het gehele gebied gold een multifunctioneel bestemming: recreatief wonen, infra- en groenvoorziening, parkeren en alles wat nodig is voor zo’n gebied. De uitwerking werd overgelaten aan de eigenaar van het gehele terrein.

De recreatiewoningen zijn gebouwd en grotendeels verkocht en vele strookjes groenvoorzieningen grenzend aan deze woningen zijn na verloop van tijd verkocht en als tuin bij deze woningen getrokken. Eén perceel is tot op heden buiten deze transacties gebleven en is ingericht als grasperceel. Daarbij is relevant dat ca 90% van alle recreatiewoningen inmiddels permanent worden bewoond. De infrastructuur is in eigendom gebracht van de VvE.

In 2012 heeft de gemeente mede op verzoek van de VvE een herziening van het bestemmingplan in procedure gebracht. De belangrijkste wijziging is dat de recreatiewoningen tevens als permanente woning mogen worden gebruikt.

Het perceel van mijn cliënt kreeg echter de bestemming groenvoorziening en parkeren. Daarmee werd de mogelijkheid om het perceel als erf bij de bestaande woningen te voegen afgesneden. Dit brengt een grote waardedaling met zich mee van deze grond.

Mijn cliënt heeft gedurende de voorzienbaarheidsperiode van ca 1 ½ jaar, zienswijzen ingediend tegen deze beperkte bestemming en contact opgenomen met zowel de VvE als met de aangrenzende buren om over verkoop te praten van dit perceel. De buren hadden zeker belangstelling voor aankoop van een deel van het perceel om deze als erf bij hun woning te trekken, maar zij waren huiverig om die stap te zetten gelet op de nieuwe nog niet onherroepelijke bestemming. Ook de VvE had wel belangstelling, maar hun prijs leek meer op de prijs voor groenvoorziening dan op de prijs voor erfgrond.

In het advies dat op het verzoek van de gemeente door een deskundig bureau werd uitgebracht werd de conclusie getrokken dat cliënt in de voorzienbaarheidsperiode te weinig inspanningen had verricht om de schade te beperken. Daarbij werd ook verwezen naar de vaste jurisprudentie van de Afdeling dat bij verkoop in de voorzienbaarheidsperiode het risico van de waardedaling voor rekening van de kopers komen, aangezien zij op de hoogte zijn of konden zijn van de nieuwe bestemming. Bij dit soort afwijzingsgronden worden helaas (bijna) nooit suggesties gedaan welke inspanningen wel hadden moeten worden verricht.

Burgemeester en wethouders hebben dit advies overgenomen en ook de bezwaarschriftencommissie heeft geadviseerd het bezwaar op deze gronden ongegrond te verklaren. B&W hebben dit advies overgenomen.

In beroep bij de rechtbank ging het niet veel beter. De rechtbank baseerde zich ook met name op de genoemde jurisprudentie van de Afdeling. Wel deed de rechtbank in de uitspraak nog de volgende suggestie: mijn cliënt had hun perceel als tuin kunnen inrichten en deze ingerichte tuin kunnen verhuren aan de buren.

Maar zou daarmee de grondwaarde worden behouden?

In hoger beroep dus naar de Afdeling Bestuursrechtspraak.

Hoewel het hele dossier uiteraard onderdeel van het hoger beroep uitmaakte, kwam mijn hoger beroep op het volgende neer.

Artikel 6.2 WRO opent de mogelijkheid bij waardedaling van de grond ten gevolge een nieuwe bestemming op planschadevergoeding. In de voorzienbaarheidsperiode moeten de benadeelden schade beprekende maatregelen treffen.

Deze maatregelen bestonden uit het indienen van zienswijzen om de oude bestemming terug te krijgen en in overleg met de buren treden om tot verkoop te kunnen overgaan.

Beide pogingen zijn op niets uitgelopen en dat is begrijpelijk. Indien verkoop zou zijn doorgegaan zonder het terugbrengen van de oude bestemming dan zou bij een eventuele onteigening omdat er bijvoorbeeld behoefte zou komen aan een parkeerterrein de waarde worden gebaseerd op de maximale planologische mogelijkheden en dat zou dan parkeerterrein zijn.

Ik heb daarbij de vraag aan de Afdeling voorgelegd wat het verschil zou zijn tussen verkoop of het perceel inrichten als tuin en verhuren aan de bewoners. Wordt in het laatste geval de oorspronkelijke grondwaarde teruggebracht, zoals de rechtbank deed suggereren?

Dat leek mij niet het geval.

Mijn conclusie was dan ook dat in dit geval een planschadevergoeding illusoir zou zijn en dat kon niet de bedoeling van de wetgever zijn geweest.

De zitting bij de Afdeling werd een ware belevenis. Staatsraad Ravels pelde aan de hand van kritische vragen aan de gemeente de hele casus af en liet er vanaf het begin geen twijfel over bestaan dat de uitspraak van de rechtbank niet in stand kon blijven en dat er sprake was van planschade die niet (geheel) ten laste van cliënt zou kunnen blijven. Mijn redenering werd punt voor punt instemmend door de Staatsraad gevolgd. De Afdeling overwoog tijdens de zitting nadrukkelijk of zij tot een einduitspraak of tot een tussenuitspraak zou overgaan. De vraag aan partijen die daarbij achteraf kennelijk de doorslag gaf was of partijen ermee konden instemmen dat aan de raad zou worden voorgelegd om de oude bestemming op het perceel terug te brengen. De gemeente gaf aan dat zij alleen door B&W waren gemandateerd en niet door de raad en dat kwam tevens als een afwijzing over. De VvE was faliekant tegen. Alleen mijn cliënt kon met het voorstel instemmen.

Op 5 juli kwam de lang verwachte uitspraak. Het is geen tussenuitspraak geworden, maar een einduitspraak[2].

Het beroep is gegrond verklaard en de gemeente heeft de opdracht gekregen om de omvang van de schade vast te stellen alsmede het deel dat voor vergoeding in aanmerking komt.

Wordt zonder meer vervolgd.

[1] ABRvS 28 september 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2582

 

[2] ABRvS 5 juli 2017, nr 201606235/1; ECLI:NL:RVS:2017:1793

 

1 augustus 2017
Hisse de Vries

Verhouding Wob-verzoeken en gebruik voor eigen procedure rechtgetrokken?

Er zijn meerdere wetten die een regeling kennen voor het al dan niet op verzoek beschikbaar stellen van overheidsdocumenten.

De Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) is ongetwijfeld de meest bekende en verplicht de overheid om op verzoek documenten over bestuurlijke aangelegenheden voor een ieder openbaar te stellen. Artikel 7:18 Awb verplicht de overheid om in een procedure, alle voor die procedure relevante documenten, aan de procespartijen beschikbaar te stellen.

Artikel 7:18 Awb – en voor de bezwaarfase artikel 7:4 Awb – wijkt in twee opzichten af van de openbaarmaking op grond van de Wob.

Ten eerste is er een afzonderlijke procedure voor het verkrijgen van documenten ten behoeve van een andere procedure en in de tweede plaats zijn de documenten voor eigen gebruik. Daarbij kent artikel 7:18 Awb geen absolute en relatieve weigeringsgronden. Dit laat overigens onverlet dat bijvoorbeeld de Wet bescherming persoonsgegevens ook van toepassing is op documenten die op grond van 7:18 Awb worden verstrekt, maar er vindt een andere afweging plaats. De partijen van een procedure moeten nl weten wie welke bezwaren heeft gemaakt tegen een besluit van de overheid. Dat kan de overheid zelf zijn, degene tot wie het besluit is gericht, maar ook een buurman of een andere derde-belanghebbende.

Zoals gesteld: het doel van de Wob is nadrukkelijk openbaarmaking voor een ieder.

Schreef ik nog op 7 juni jl. dat de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrecht onduidelijk is ten aanzien van de verhouding tussen deze twee procedures en dat dit een gemiste kans was, het lijkt erop dat de Afdeling zich al voor de publicatie hiervan bewust was.

Op 5 juli jl. heeft de Afdeling een uitspraak gedaan die enigszins duidelijkheid hierin brengt, maar toch ook weer niet helemaal: ABRvS 5 juli 2017, nr. 201605323/1; ECLI:NL:RVS:2017:1807.

In deze zaak vraagt appellant stukken op ter voorbereiding op zijn verdediging gericht tegen een verkeersboete. Appellant voert aan dat verkeersboetes veel voorkomen en dat betrokkenen in die zaken op zoek zijn naar informatie daarover. Appellant acht het van groot belang dat documenten in dergelijke zaken voor een ieder openbaar worden gemaakt. Daarbij betoogt appellant dat op het Ministerie van Veiligheid en Justitie een dubbele moraal heerst omdat de ambtelijke top niet wordt vervolgd voor bepaalde misdrijven. Hij ervaart  daarom een ongelijkheid van behandeling.

Appellant refereert in het verzoek uitdrukkelijk aan de Wob.

De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en daarbij overwogen dat ook al is in de brief verwezen naar de Wob, het oogmerk was om informatie op te vragen om het administratief beroep tegen de verkeersboete te onderbouwen. Daarvoor is een afzonderlijke procedure neergelegd in de Awb.

Dee Afdeling merkt allereerst op dat moet worden beoordeeld of een verzoek om toezending van een document een verzoek is om openbaarmaking op grond van de Wob of een verzoek om toezending of inzage op grond van een andere wettelijke regeling. Bij haar uitspraak van 11 september 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1133 heeft de Afdeling hierin onder meer overwogen dat gelet op de omstandigheid dat het verzoek om toezending is gedaan in het kader van een procedure tegen de oplegging van een boete op grond van de Wahv, het verzoek in het kader van die procedure dient te worden begrepen.

In de zaak van 5 juli 2017 overweegt de Afdeling dat appellant in zijn verzoek niet alleen om documenten heeft gevraagd die aan de verkeersboete kunnen worden gerelateerd, maar ook om documenten verzocht met betrekking tot de zogenoemde ‘Rolodex’-zaak en de vervolging van een voormalige ambtenaar. Wat er ook van zij dat appellant met die documenten beoogt via de band van het gelijkheidsbeginsel de verkeersboete aan de vechten – zoals de minister heeft aangevoerd – dit maakt niet dat het alleen ‘als op de zaak betrekking hebbende stukken’ betreft als bedoeld in artikel 7:18, tweede lid Awb. Het ligt immers niet in de rede dat de minister de hiervoor bedoelde documenten op voet van artikel 7:18, tweede lid, als op de zaak betrekking hebbende stukken, voor belanghebbenden ter inzage legt. Naar het oordeel van de Afdeling betrof het dan ook deels een verzoek om informatie dat niet enkel is gedaan in het kader van de verkeersboete én daarbij wordt in aanmerking genomen dat appellant in het verzoek uitdrukkelijk heeft gerefereerd aan de Wob.

Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het beroepschrift zal met toepassing van artikel 6:15, tweede lid, Awb ter behandeling als bezwaarschrift aan de minister worden gestuurd.

Dit betekent dat er bij mijn weten nog steeds geen uitspraak is van de Afdeling bestuursrecht waarbij een verzoek om informatie op grond van de Wob, maar feitelijk vallend onder artikel 7:18 Awb, is ingediend ongegrond wordt verklaard. Deze uitspraken bieden wel de verwachting dat een verzoek op informatie voor een eigen procedure alleen op grond van artikel 7:18 kan worden gedaan voor zover het gaat om documenten die rechtstreeks verband houden met die eigen procedure. Dat is dan naar mijn mening een pluspunt van deze uitspraak. De wetgever heeft het onderscheid gemaakt, daarbij is er geen ruimte voor verzoekers om een keuze te maken.

De zaak van 5 juli 2017 kan op termijn een vervolg krijgen met een nieuwe uitspraak. Dan zou uitsluitsel kunnen worden gegeven over deze interpretatie.

 

 

9 juni 2017
Hisse de Vries

WOB-verzoeken bij bestuursrechtelijke procedures?

Bij grote regelmaat moet de Afdeling Bestuursrecht van de Raad van State uitspraken doen over de Wet openbaarheid van bestuur (Wob). Afgezien van de inhoudelijk afweging komt ook het doel van het verzoek regelmatig aan de orde.

Wordt het verzoek wel gedaan in het kader van ‘openbaar voor een ieder’?

Wordt de informatie met een ander oogmerk gevraagd, dan is het  niet uitgesloten dat het oogmerk onder een andere wet valt. De andere wet wordt als Lex specialis ten opzichte van de WOB aangemerkt.

Zo is er ook een spanningsveld bij het opvragen van documenten in het kader van een lopende procedure.

Op 10 mei 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1225, doet de Afdeling een duidelijke uitspraak hierover…. of toch niet?

De gemachtigde van verzoeker dient een verzoek in op grond van de Wob teneinde een ‘aan verzoeker opgelegde administratieve sanctie – verkeersboete – aan te kunnen vechten’. De gemachtigde voert bij regelmaat dit soort procedures.

In het verzoek is vermeld dat ‘indien documenten tot personen herleidbare gegevens bevatten, die buiten het regime van de Wob vallen, het verzoek hiervan te schonen en de geanonimiseerde documenten onder de Wob te verstrekken’.

De Afdeling overweegt dat deze verzoeken verband houden met het administratief beroep tegen een opgelegde verkeersboete en het kunnen motiveren van dat beroep vormt kennelijk de reden voor het opvragen van documenten. Deze omstandigheid en de aard van de gevraagde documenten wijzen erop dat verzoeker met de informatievoorziening niet heeft beoogd om de gevraagde documenten voor een ieder openbaar te laten zijn, doch slechts om zelf in het bezit van die stukken te komen teneinde de verkeersboete mede op basis daarvan te kunnen aanvechten. Artikel 7:18, vierde lid, Awb voorziet specifiek voor belanghebbenden in een recht om hangende administratief beroep de op de zaak betrekking hebbende stukken  op te vragen bij het bestuursorgaan.

Verder overweegt de Afdeling dat gemachtigde rechtsbijstandverlener van beroep is en vele procedures betreffende verkeersboetes en Wob-verzoeken voert. Hij moet dan ook worden geacht te beschikken over ruime kennis en ervaring op het gebied van het bestuursrecht in het algemeen en de Wob in het bijzonder. Gelet hierop moet ervan worden uitgegaan dat hij ermee bekend was dat hij de gevraagde documenten betreffende de opgelegde verkeersboete op grond van art. 7:18 Awb had kunnen opvragen. Dit wijst erop dat het een bewuste keuze is geweest om de informatieverzoeken op de Wob te baseren en onder deze omstandigheden moeten de verzoeken als Wob-verzoeken worden beschouwd.

Rechtbank Arnhem wijst ook op een fundamenteel verschil tussen toepassing van artikel 7:18 Awb en de Wob: “Uit art. 7:18, zevende lid, Awb blijkt dat voor de weigering van inzage een sterkere grond aanwezig moet zijn dan de redenen waarom krachtens de Wob een verzoek om informatie kan worden geweigerd. dit verschil berust op het feit dat het bij laatstgenoemde wet gaat om een recht van iedere burger, terwijl het hier een burger betreft die een procedure voert over een hem direct rakende aangelegenheid” [1]

Vervolgens had naar mijn mening de Afdeling de verzoeken niet-ontvankelijk kunnen (en moeten?) verklaren omdat het verzoek impliciet niet is gericht om het voor een ieder openbaar te maken. Dat doet de Afdeling echter niet.

Dit lijkt mij een gemiste kans.

De Afdeling toetst het verzoek verder aan de Wob. Ik moet constateren dat het vaste jurisprudentie van de Afdeling is om Wob-verzoeken, die tot doel hebben om documenten te verkrijgen ten behoeve van een eigen administratiefrechtelijke procedure, ook op grond van de Wob te behandelen. De Afdeling komt daarbij net zoals in andere vergelijkbare beroepen, niet toe aan een inhoudelijke behandeling[2].

De Afdeling overweegt in deze zaak nl. onder meer dat gezien de kennis en ervaring van de gemachtigde er van moet worden  uitgegaan dat hij ermee bekend was dat hij de gevraagde documenten betreffende de opgelegde verkeersboete op grond van artikel 7:18, vierde lid, Awb en de voormelde Wahv-bepalingen had kunnen opvragen. Dat wijst erop dat het een bewuste keuze van gemachtigde is geweest om de informatieverzoeken op de Wob te baseren. Tevens moet er gelet op de kennis en ervaring van gemachtigde van worden uitgegaan dat deze gemachtigde ermee bekend was dat een op de Wob gebaseerd informatieverzoek, ertoe kan leiden dat bij niet-tijdige besluitvorming, aan de aanvrager een dwangsom of proceskostenvergoeding moet betalen.

Het procesgedrag van gemachtigde – onder meer een vage uitwerking van zijn verzoek – geeft in deze zaak blijk van handelingen waarvan hij geweten moet hebben dat deze een tijdige besluitvorming onnodig konden bemoeilijken. De verzoeken zijn aldus geformuleerd dat het voor het bestuursorgaan niet mogelijk is om er volledig en adequaat op te beslissen. De vaagheid van de verzoeken doet afbreuk aan het doel waartoe zij, naar gesteld, zijn ingediend en maakt  de op verzoeken te nemen besluiten onnodig extra vatbaar voor discussie in bezwaar- en beroepsprocedures. Voor dit procesgedrag kan geen andere plausibele verklaring worden gevonden dan het oogmerk om ten laste van de overheid dwangsommen en proceskostenvergoedingen te incasseren.

De Afdeling komt tot het oordeel dat gemachtigde de bevoegdheid om Wob-verzoeken in te dienen zodanig heeft gebruikt voor een ander doel dan waarvoor deze bevoegdheid is gegeven, dat dit gebruik blijk geeft van kwader trouw. Derhalve heeft hij misbruik gemaakt van een wettelijke bevoegdheid.

Deze handelwijze moet aan verzoeker worden toegerekend, aangezien gemachtigde de betrokken handelingen namens verzoeker heeft verricht en verzoeker hem daartoe heeft gemachtigd.

Hierboven heb ik het al gehad over een gemiste kans. Verzoeker heeft aangegeven dat hij de documenten opvraagt om namens zijn cliënt te gebruiken in een administratiefrechtelijke procedure en de documenten voor dit doel opvraagt op grond van de Wob. Verzoeker geeft uitdrukkelijk niet aan dat hij de documenten (ook) opvraagt om deze op de een of andere wijze openbaar voor een ieder te maken. Dat is op zich niet verplicht, maar zijn doel strookt niet met het oogmerk van de Wob

Nu hij de documenten bewust opvraagt voor een andere doel dan het doel van de Wob en hiervoor ook een andere wettelijke grondslag geldt dient naar mijn mening de artikelen 7:4 en 7:18 Awb als Lex specialis te worden aangemerkt ten opzichte van de Wob.

Wie weet, komt nog een keer een duidelijke uitspraak hierover.

[1] Rb Arnhem, 21-08-2008, ECLI:NL:RBARN:2008:BC2707

[2] ABRvS 8 juni 2016, nr. 201501057/1, ECLI:NL:RVS:2016:1587; genuanceerder: RvSt 12-02-2014, ECLI:NL:RVS:2014:465

 

23 december 2016
Hisse de Vries

1-daagse cursus Ontgrondingen onder de Omgevingswet

1-daagse cursus

Ontgrondingen onder de Omgevingswet

Inhoud Programma Docenten Cursusmateriaal

  • Specifiek gericht op consequenties voor ontgrondingen
  • Drie verschillende procedures: enkelvoudige vergunningaanvraag, meervoudige vergunningaanvraag en projectbesluit
  • Gemeenten kunnen nu ook bevoegd gezag zijn!
  • Thema’s: bevoegd gezag, coördinatie, procedures, grondverzet, zorgplicht, vrijstellingen, mer-plicht, lex specialis
  • Met praktijkcases

Inleiding

Momenteel worden de contouren van de nieuwe Omgevingswet steeds duidelijker. Het lijkt nog ver weg, maar nog even en dan moeten de overheden en het bedrijfsleven er klaar voor zijn.

De nieuwe wet heeft ook grote gevolgen voor ontgrondingen. Hoewel voor ontgrondingen alles bij het oude zou blijven zijn er toch aanpassingen aan de nieuwe systematiek doorgevoerd waardoor meerdere inhoudelijke wijzigingen nu onvermijdelijk zijn geworden.

Wat zijn die wijzigingen voor ontgrondingen?

Uitgangspunt in de Omgevingswet is de integrale benadering van het fysieke milieu. De voorschriften over ontgrondingen staan niet meer keurig bij elkaar, maar staan verspreid over de wet zelf en drie van de vier AMvB’s. Decentraal wat kan is het motto. Ook aanvragers van ontgrondingenvergunningen kunnen daarmee te maken krijgen als er minder dan 100.000 m³ in situ bodemmateriaal wordt gewonnen en burgemeester en wethouders bevoegd gezag kunnen worden. Dat zijn gecombineerde aanvragen voor bijvoorbeeld natuurprojecten, recreatieprojecten, waterpartijen in woonwijken, aanleg golfbanen. Daardoor krijgen nu ook gemeenten met ontgrondingen te maken!

Ontgrondingenactiviteiten zullen worden getoetst aan de belangen van fysieke milieu. Houdt dit een beperking in ten opzichte van de huidige afweging van alle bij de ontgronding betrokken belangen? Vindt er een wijziging plaats met de verhouding van andere belangen die ook onderdak hebben gevonden in de Omgevingswet? Hoe wordt omgegaan met het Lex Specialis beginsel?

Belangrijk is ook dat het begrip inrichting verdwijnt en de activiteit ontgronden daarvoor in de plaats komt. De activiteit bevat de gehele exploitatie van de ontgronding, dus niet alleen de ontgrondingenlocatie zelf maar ook alle gronden buiten de insteek als ook het gebruik van het winwerktuig. Er zijn verschillende omgevingsvergunningen vereist en dat kan ook gecoördineerd gebeuren. Echter, ook de coördinatieregels zijn weer ingrijpend gewijzigd. Verder doet het begrip ‘Grondverzet’ zijn intrede bij ontgrondingen en de beroepsprocedure wordt gewijzigd.

Daarnaast wordt er zoveel mogelijk overgeschakeld op doelvoorschriften: de initiatiefnemer heeft de keuze welke middelen hij wil inzetten, als de doelen voor het fysieke milieu maar wordt gehaald. Voor de ontgrondingensector betekent dit dat er niet alleen een brede kennis moet zijn aan Best Beschikbare Technieken die verplicht zijn voorgeschreven maar dat gelijkwaardige alternatieven, door initiatiefnemer voorgedragen, hiervoor in de plaats kunnen komen. Het bevoegd gezag moet die gelijkwaardige maatregelen op hun werking beoordelen.

De Omgevingswet heeft het over maatwerkvoorschriften, instructieregels, omgevingswaarden, afwijkvergunningen en beperkingengebiedsactivteiten. Krijgen ontgrondingenactiviteiten daar ook mee te maken?

Inhoud en resultaat

Aan de hand van een vergelijking tussen enerzijds de huidige wetgeving en de daarop gebaseerde jurisprudentie en anderzijds de Omgevingswet met de nieuwe systematiek zal worden ingegaan op de wijzigingen voor ontgrondingen.

Doelgroep

Deze cursus is bestemd voor beleidsmakers, uitvoeringsjuristen, vergunningverleners en handhavers bij:

  • provincies: het oorspronkelijke bevoegd gezag voor vergunningverlening
  • gemeenten: het nieuwe bevoegd gezag in bepaalde gevallen

Daarnaast is de cursus ook interessant voor het ontgrondend bedrijfsleven (ingenieursbureaus en aannemers) en adviesbureaus.

Programma

In deze cursus zult u volledig op de hoogte worden gebracht van de meest ingrijpende veranderingen voor ontgrondingen. Dan gaat het om:

  • Systematiek Omgevingswet
  • Nieuw begrippenkader in Omgevingswet, voor zover van belang voor ontgrondingen
  • Waarop moet worden gelet bij het aanvragen van een omgevingsververgunning voor een ontgrondingsactiviteit waar moet op worden gelet bij het in behandeling nemen van een aanvraag?
  • Bevoegd gezag: gemeente of provincie?
  • Andere maatregelen dan de best beschikbare technieken bij ontgrondingen
  • Van huidige middelvoorschriften naar doelvoorschriften: consequenties voor ontgrondingen
  • De zorgplicht
  • Actualisatie van jurisprudentie, waaronder van de mer-plicht
  • Praktijkcases waaronder ontwikkeling natuurwaarden, aanleg waterpartijen in nieuwe woonwijk, Projectbesluit in het kader van Ruimte voor de Rivieren

Docenten

Mr. Hisse (S.) de Vries is specialist pur sang in het bestuursrecht. Hisse is een gedegen jurist met ervaring van ruim 40 jaar en hij weet niet van ophouden. De basis voor zijn specialisme bij ontgrondingen heeft hij in de laatste twee decennia van de vorige eeuw gelegd als hoofd van de afdeling ontgrondingen in respectievelijk de provincie Gelderland en Noord-Brabant. Nog steeds is hij volop betrokken bij de ontwikkelingen van dit beleidsveld.

Drs. Arnold van Kreveld is ecoloog, strateeg, onderzoeker, marketeer en procesbegeleider.

Arnold is beleidsbioloog en combineert een sterk analytisch vermogen met een oplossingsgerichte visie. Wat zijn de problemen, waar liggen de kansen en hoe kunnen die worden benut? Arnold werkte 15 jaar voor het Wereld Natuur Fonds, waarvan 10 als hoofd Bossenprogramma. In 2004 koos hij voor het opdoen van ervaring in het bedrijfsleven, en was 5 jaar (parttime) hoofd Marketing en Duurzaamheid bij houthandel Precious Woods Europe.


Cursusmateriaal

Naast een map met de handouts van de presentatie en de bijlagen, is het ondersteunende materiaal voor de cursus digitaal beschikbaar op Omgevingsweb ProfessionalEr staat een apart dossier voor u klaar met alle stukken voor deze cursus. U heeft een maand lang toegang tot dit dossier. Ongeveer één week voor aanvang van de cursus ontvangt u van ons de inlogcodes en kunt u zich reeds inlezen in het onderwerp. Optioneel kunt u de toegang tot Omgevingsweb Professional voor slechts € 100,-  verlengen naar 6 maanden toegang. U kunt dit aangeven op het aanmeldingsformulier.

 

22 november 2016
Hisse de Vries

Boswet of gemeentelijke bevoegdheid?

Recent heeft de Afdeling Bestuursrechtspraak twee uitspraken gedaan waarin de vraag aan de orde kwam of de gemeente – de raad, resp. B&W – in de voorgelegde gevallen regulerend kon optreden ten aanzien van houtopstanden of dat hierin is voorzien in de Boswet.

Het betreft twee verschillende zaken.

De eerste casus heeft betrekking op windsingels rondom fruitteeltbedrijven.[1] De Boswet geeft in artikel 15, tweede lid, onder b, aan dat de gemeenteraad niet bevoegd is regels te stellen ter bewaring van vruchtbomen en windschermen om boomgaarden. Voorts is de gemeenteraad niet bevoegd regels te stellen ter bewaring van bossen en andere houtopstanden welke niet zijn gelegen binnen een bebouwde kom, behoudens enkele uitzonderingen genoemd in de wet.

In de planregels van het bestemmingsplan Buitengebied van de gemeente Dronten is bepaald dat er een omgevingsvergunning is vereist voor het kappen en/of rooien van bomen en/of houtgewas die al dan niet aanwezig zijn als erfbeplanting, kavelbeplanting, wegbeplanting of schuilgelegenheid voor vee. Uitgezonderd zijn bomen en/of houtgewas die deel uitmaken van een agrarische teelt.

De Afdeling overweegt dat deze planregels niet in strijd met de Boswet zijn vastgesteld. Uit de parlementaire stukken van de Boswet volgt dat de Boswet strekt tot instandhouding van de oppervlakte aan bosareaal in Nederland. De bestemmingsplanregeling met betrekking tot windschermen om boomgaarden ziet blijkens de plantoelichting op de bescherming van cultuurhistorische waarden in het polderlandschap. Dit is een ander belang dan de bescherming van het bosareaal waarop de Boswet ziet. Artikel 15, tweede lid, onder b, Boswet heeft geen betrekking op de bevoegdheid van gemeenteraden om regels te stellen tot behoud van het cultuurhistorisch landschap.

In de tweede uitspraak komt de vraag naar voren of de Boswet van toepassing of dat de gemeenteraad in de APV regels kan opnemen voor het kappen van bomen buiten de bebouwde kom.[2]

In de APV is een kapverbod opgenomen.

B&W van Goirle hebben een omgevingsvergunning verleend voor de kap van een zomereik  met een omtrek van ongeveer 3,5 meter en een leeftijd van minimaal 150 jaar oud.

De vraag is of de zomereik onderdeel uitmaakt van een bomenrij die bestaat uit meer dan 20 bomen. Artikel 5, tweede lid, Boswet bepaalt voor zover hier van belang dat de Boswet niet van toepassing is op houtopstanden, welke een zelfstandige eenheid vormen en – ingeval van rijbeplanting – gerekend over het aantal rijen, niet meer bomen omvatten dan 20.

De zomereik staat in een laan, gelegen buiten de bebouwde kom, en in deze laan staan aan weerszijden rijen bomen, met meer dan 20 bomen.

Ten aanzien van deze zomereik overweegt de Afdeling dat tussen de zomereik en de nabij gesitueerde bomen een afstand bestaat die gemiddeld genomen ongeveer drie keer zo groot is als de onderlinge afstand die bestaat tussen de andere bomen die langs deze laan staan. Ook wordt overwogen dat de zomereik qua omvang en leeftijd zich duidelijk onderscheidt van de nabijgelegen jongere en smallere bomen, niet min of meer in één denkbeeldige lijn met die bomen, maar direct aan de weg staat, terwijl de andere bomen op ongeveer 1,5 meter afstand van de laan staan. Daarop concludeert de Afdeling dat de zomereik geen onderdeel uitmaakt van een bomenrij die bestaat uit meer dan 20 bomen. De zomereik valt daarmee niet onder het regiem van de Boswet en B&W zijn bevoegd om onder afweging van de belangen als opgenomen in de APV een besluit te nemen omtrent de aanvraag voor een kapvergunning.

De conclusie die uit deze twee uitspraken kan worden getrokken is dat de grondslag van de Boswet zijn beperkingen kent en dat zowel de gemeente (als de provincie) aanvullend op één of meer andere grondslagen regels kan stellen, waarbij maatwerk kan worden gerealiseerd vanuit andere invalshoeken.

[1] ABRvS 5 oktober 2016, nr. 201506596/1, ECLI:NL:RVS:2016:2629.

[2] ABRvS 16 november 2016, nr. 201506997/1, ECLI:NL:RVS:2016:3042.

 

29 september 2016
Hisse de Vries

Valt er onder de Omgevingswet nog te handhaven?

De Omgevingswet krijgt langzamerhand vorm. Het motto is: eenvoudiger en beter.

Maar het motto is ook de verantwoordelijkheid leggen daar waar deze thuishoort.

En dat zijn niet alleen de overheden.

Ook wordt in ruime mate een beroep gedaan op het vertrouwen en de verantwoordelijkheid van de burgers en bedrijven.

De Omgevingswet straalt dynamiek uit evenals het omgevingsplan dat gemeenten moeten vaststellen.

De dynamiek betekent ook dat bedrijven (en burgers) feitelijk zelf mogen bepalen hoe zij de bijvoorbeeld de milieu- en bouwnormen willen gaan realiseren. Dat hoeft niet per sé op de in de wet voorgeschreven wijze, als het maar tenminste gelijkwaardige maatregelen betreffen. Initiatiefnemer moet de gelijkwaardigheid aantonen.

Dat legt veel druk op de handhaver. Hoe objectief moet bijvoorbeeld het onderzoek zijn dat initiatiefnemer overlegt?

Een andere prominente plek in de wet wordt ingenomen door de zorgplicht. Maar kan er wel altijd op de zorgplicht worden gehandhaafd?

Deze en nog veel andere handhavingsaspecten komen aan de orde in de cursus Handhaven onder de Omgevingswet die ik op 13 oktober a.s. in Utrecht zal geven.

Nog weinig kennis van de Omgevingswet? Geen nood eerst volgt in vogelvlucht een kennismaking met de nieuwe Omgevingswet en de vier AMvB’s. Dat is noodzakelijk om de handhavingstaak  te kunnen doorgronden.

De cursus wordt georganiseerd door Berghauser Pont Academy. Aanmelden kan nog via hun website.

Doen!

06-24352136

 

 

19 september 2016
Hisse de Vries

Beweiden en mestuitrijden

In het oktobernummer van Jurisprudentie Milieurecht wordt mijn artikel “beweiden en mestuitrijden” geplaatst. Vragen als: ‘Zijn beweiden en mestuitrijden projecten of andere handelingen in de zin van artikel 19d Nbw?’ en ‘Zijn beweiden en mestuitrijden afzonderlijke projecten?’ komen uitgebreid aan de orde. De antwoorden? Op de eerste vraag: Ja, op de tweede vraag: Nee. Bij uitbreidingen van veehouderijen is het één project samen met de verbouw, respectievelijk nieuwbouw van de stal. Die zijn dan onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Hoe dat zit? Lees het volgende maand in Jurisprudentie Milieurecht”

 

8 juli 2016
Hisse de Vries

INCOMPANY CURSUSSEN OMGEVINGSWET VOOR GEMEENTEN.

Niemand kan er met alle publiciteit nog omheen: de nieuwe Omgevingswet komt eraan!

Alles wat de Fysieke Leefomgeving betreft wordt in één wet ondergebracht. Geen nietjes door 24 wetten die in de Omgevingswet opgaan, maar een compleet nieuwe wet met een eenduidig nieuwe systematiek.

Er verandert voor gemeenten veel, om maar niet te zeggen van heel veel.

Je bent er niet om het bestemmingsplan dan maar ‘Omgevingsplan’ te gaan noemen. Daar moet heel veel meer voor gebeuren.

Voldoende reden voor mij – nu ik al enkele jaren adviseer over de Omgevingswet en haar vier AMvB’s en de systematiek goed ken – om ten behoeve van gemeenten presentaties op te stellen om de gemeente op praktische wijze de weg te wijzen voor het opstellen van een omgevingsplan en voorstellen te doen voor een plan van aanpak.

Volgende presentaties, respectievelijk onderwerpen liggen klaar;

  1. Algemeen: systeem Omgevingswet en haar vier AMvB’s
  2. Omgevingswet
  3. Omgevingsbesluit
  4. Besluit kwaliteit leefomgeving
  5. Besluit activiteiten leefomgeving
  6. Besluit bouwwerken leefomgeving

Daarnaast worden vele thema’s uitgediept, hetzij in de hierboven aangegeven presentaties, hetzij afzonderlijk, het gaat dan om

  1. Het omgevingsplan
  2. Hoofdlijnen afzonderlijke milieubelangen
  3. Kerninstrumenten en rechtsbescherming
  4. De omgevingsvergunning
  5. Vergunning milieubelastende activiteit
  6. Werking en winst Omgevingswet
  7. Het Projectbesluit
  8. Instructie- en beoordelingsregels
  9. Plan van aanpak opstellen omgevingsplan.
  10. Handhaving onder de Omgevingswet
  11. Inpassing regels fysieke leefomgeving ui gemeentelijke verordeningen in het Omgevingsplan

Afhankelijk van de wensen van de gemeente kan uit deze presentaties en onderwerpen, een volledig overzicht worden gegeven wat de gemeenten staat te wachten en waarop gemeenten zich kunnen en moeten voorbereiden

Het is een hele opsomming, maar daarmee wordt ook duidelijk dat er de gemeenten het een en ander staat te wachten.

De presentaties zijn bedoeld voor incompany cursussen voor gemeenten en voor alle ambtenaren die straks met de Omgevingswet krijgen te maken.

Tevens wordt stilgestaan bij het vervolg: een plan van aanpak om gemeente breed een omgevingsvisie en een omgevingsplan op te stellen.

De cursus wordt door Hisse de Vries gegeven.  Afhankelijk van de onderwerpen en/of wensen van de opdrachtgever nemen ook Henk Ullenbroeck van Arcadis en Olaf Schuwer (handhaving) van Schuwer advies onderdelen voor hun rekening.

Heb je belangstelling of wil je nadere informatie? Neem dan gerust contact met mij op: 0624352136 of mail mij: hissedevries@hissedevries.nl